De werkelijkheid van de Waadi

De werkelijkheid van de Waadi

Veel werkgevers krijgen ermee te maken: de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (de Waadi). Het ter beschikken stellen van arbeidskrachten door derden in de onderneming van anderen wordt door de overheid streng in de gaten gehouden omdat in een dergelijke relatie gemakkelijk misbruik gemaakt kan worden van (de rechten van) werknemers. Veel ondernemers lopen tegen een onderwerp aan dat in die wet tot 2012 niet duidelijk was omschreven, te weten de vraag of zij een goed bevallende inleenwerknemer na afloop van de inleenperiode in dienst kunnen nemen.

Artikel 9a van de Waadi bepaalt dat de derde die de arbeidskracht ter beschikking stelt de inleenwerknemer geen belemmering mag opleggen om bij de inlener na de afloop van de inleenperiode in dienst te treden. Wel moet duidelijk zijn dat het gaat om werknemers die onder de Waadi vallen, te weten dat zij ter beschikking worden gesteld en dus onder leiding en toezicht van hun uitlener staan en niet onder die van de opdrachtgever. Anders is er geen sprake van een situatie waarop de Waadi van toepassing is en zal wel kunnen worden afgeweken van het belemmeringsverbod van artikel 9a Waadi. In een recente uitspraak van de kantonrechter te Zaanstad van 1 februari jl. is weer eens vastgelegd dat dit belemmeringsverbod niet kan worden ‘weggecontracteerd’ door partijen. Volgens de Waadi is zo’n afspraak immers nietig of kan die nietig worden verklaard.

 

 

Er is al veel geprocedeerd over de werking van de Waadi op dit gebied. Inmiddels is duidelijk dat het verbod ten aanzien van contracten voor bepaalde en onbepaalde tijd geldt en werkgevers die dergelijke werknemers inhuren en hun aannamebeleid daarop baseren doen er goed aan om hun verwachtingen goed met de uitlener te bespreken en ter vermijding van een procedure een redelijke vergoeding af te spreken als de werknemer na de inleenperiode in dienst treedt. Niet alle intermediairs, veelal de wat kleinere bureaus die specialisten detacheren, scheppen omtrent de indienstneming van het ter beschikking gestelde personeel vooraf duidelijkheid en vertrouwen erop dat zij met een beroep op het ontbreken van leiding en toezicht toch een beroep op een concurrentie c.q. relatiebeding kunnen doen.

 

 

Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail