OPZEGGING DUUROVEREENKOMSTEN

OPZEGGING DUUROVEREENKOMSTEN

 

Bij het opzeggen van duurovereenkomsten is (vaak) de eerste vraag of dat mogelijk is. Bij positieve beantwoording van die vraag, volgt de tweede vraag onder welke voorwaarden dat dan kan (denk aan: opzegtermijnen, vergoedingen etc.). Veelal spelen daarbij grote belangen mee, waarbij het opzeggen door de ene partij omvangrijke schade bij de andere partij teweeg kan brengen. Bij een duurovereenkomst hebben partijen zich verplicht tot een voortdurende prestatie of zijn zij een reeks van prestaties aangegaan, die zich over een langere tijd heeft uitgestrekt.

De Hoge Raad heeft over dit vraagstuk op 2 februari 2018 aanvullende inzichten gegeven (HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141). De achtergrond bij die procedure was – versimpeld weergegeven – een tussen partijen gesloten licentieovereenkomst (de duurovereenkomst) waarbij partij SMQ Group (de octrooihouder) een licentie had gegeven aan partij Goglio voor het gebruik van (kennelijk specifieke) grootverpakkingen voor vloeibare voedingsmiddelen. In deze licentieovereenkomst was een looptijd van vijftien jaar afgesproken (daarmee is het een duurovereenkomst). Verder was een opzeggingsmogelijkheid in de licentieovereenkomst opgenomen. SMQ wilde daarvan gebruik maken omdat Goglio de licentievergoeding niet had betaald.

Hoofdregel
Over het vraagstuk ‘Het opzeggen van duurovereenkomsten’ had de Hoge Raad zich al ettelijke keren uitgelaten. Daarbij is door vaste jurisprudentie de volgende hoofdregel ontstaan:

“Of en, zo ja, onder welke voorwaarden een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan, opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen.

 Indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding”.

 

Aanvulling hoofdregel
Daar is door de uitspraak van de Hoge Raad de volgende aanvulling op gekomen:

“Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden.”

Oftewel: Ook in het geval een duurovereenkomst wel een clausule voor de opzegging bevat kunnen de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat een duurovereenkomst niet volgens de contractuele opzegbepaling opgezegd kan worden. Daarbij speelt dan onder meer mee (i) of een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, of (ii) dat de opzegging gepaard moet gaan met een aanbod tot betaling van een schadevergoeding.

Partijen die een duurovereenkomst op willen zeggen moeten zich dus realiseren dat dit – ondanks een opzeggingsmogelijkheid in de duurovereenkomst – niet altijd zonder meer kan en ook dat altijd gekeken wordt naar de omstandigheden van het geval.

In de achterliggende procedure verwierp de Hoge Raad overigens het beroep van Goglio op de aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, omdat de opzegginsregeling in de licentieovereenkomst alleszins redelijk was.

Voor vragen over bovengenoemd thema kunt u contact opnemen met Stefan van der Veen.

 

 

Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail