Wel of geen afgeleide schade(vergoeding) voor aandeelhouder

Wel of geen afgeleide schade(vergoeding) voor aandeelhouder

Een vennootschap kan schadevergoeding vorderen van een partij die haar schade toebrengt. Maar wat indien de schade aan een vennootschap ook leidt tot schade bij haar aandeelhouder? Deze schade kan ontstaan door vermindering van de waarde van aandelen of gemiste koerswinst. Kan de aandeelhouder (ook) deze zogeheten ‘afgeleide schade’ vorderen?  

Normaal gesproken kan de aandeelhouder afgeleide schade niet vorderen van de schadeveroorzakende partij. Dit wordt alleen anders indien de schadeveroorzakende partij zich (ook) specifiek onzorgvuldig heeft gedragen jegens de aandeelhouder. In principe heeft namelijk de vennootschap (waartegen onrechtmatig is gehandeld of wanprestatie is gepleegd) als taak om de belangen te beschermen van alle partijen die bij het in stand houden van haar vermogen belang hebben – dus ook van aandeelhouders – door vergoeding van de toegebrachte schade te vorderen.

De gedachte hierbij is: door de schadevergoeding voor de vennootschap, stijgt de waarde van de aandelen weer, zodat ook de aandeelhouder in zoverre per saldo geen schade (meer) lijdt. Daarbij komt dat anders – naast de schade lijdende vennootschap – óók individuele aandeelhouders hun schade zouden kunnen vorderen. Deze samenloop van vorderingen wordt onwenselijk geacht.

Potplantenkwekerij-arrest:

Een bijzondere variant in de hiervoor geschetste wereld van afgeleide schade van aandeelhouders betreft het “Potplantenkwekerij-arrest” (ECLI:NL:HR:2018:1899). In die zaak gaat het samengevat om het volgende.

De holding van een groepsonderneming is van plan om een potplantenkwekerij te vestigen op een stuk grond in de gemeente Gilze en Rijen, dat eigendom is van de holding. Plan is dat de dochtermaatschappij van de holding uiteindelijk de potplantenkwekerij gaat exploiteren. De gemeente besluit echter dat de potplantenkwekerij niet gerealiseerd mag worden, waarna de holding naar de bestuursrechter stapt. De dochtervennootschap is geen onderdeel van deze procedure. De hoogste bestuursrechter (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) vernietigt uiteindelijk de besluiten van de gemeente, die daardoor onrechtmatig waren tegenover de holding.

Vervolgens gaat de holding samen met haar dochtermaatschappij naar de civiele rechter om schadevergoeding te vorderen van de gemeente; de dochtermaatschappij in de vorm van ‘directe schade’ en de holding in de vorm van ‘afgeleide schade’. Na drie instanties (Rechtbank, Gerechtshof en Hoge Raad) komt vast te staan dat de gemeente tegenover de dochtermaatschappij niet onrechtmatig heeft gehandeld. De dochtermaatschappij  is immers niet bestuursrechtelijk opgekomen tegen de besluiten van de gemeente, waardoor die ten opzichte van haar vaststaan (‘formele rechtskracht’ hebben gekregen). De gemeente heeft door de onrechtmatige besluiten te nemen alleen onrechtmatig  gehandeld tegenover de holding.

Nu tegenover de dochtermaatschappij niet onrechtmatig is gehandeld, kan zij de door haar geleden schade niet vorderen van de gemeente, zo oordeelt de Hoge Raad. Voor een eventuele schadevergoeding van de holding komt vervolgens het leerstuk over ‘afgeleide schade’ om de hoek kijken. De holding – enig aandeelhouder van de dochtermaatschappij – heeft immers schade geleden in de vorm van gemiste dividenduitkeringen en een lagere aandelenwaarde: ‘afgeleide schade’. Zoals hiervoor besproken is het uitgangspunt dat afgeleide schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. Maar volgt hieruit dat in deze zaak noch de dochtermaatschappij, noch de holding voor schadevergoeding in aanmerking komt?

De Hoge Raad beantwoordt deze vraag – kort gezegd – ontkennend. Volgens de Hoge Raad wordt pas toegekomen aan voormeld uitgangspunt bij afgeleide schade, indien de gemeente (ook) onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens de dochtermaatschappij. Dat is hier niet het geval. Het uitganspunt bij het leerstuk over afgeleide schade, dat deze in principe niet voor vergoeding in aanmerking komt, is dus niet van toepassing. Dat is in deze zaak daarom geen argument tegen het (eventuele) recht op schadevergoeding van de aandeelhouder. De Hoge Raad concludeert dat de afgeleide schade van de holding hier voor vergoeding in aanmerking komt, indien de schade als gevolg van onrechtmatige gedragingen kan worden toegerekend aan de gemeente.

Overweging:

De bijzonderheid in deze zaak is dat de dochtermaatschappij geen onderdeel was van de bestuursrechtprocedure. Maar wat nu als dat wel het geval was en de bestuursrechter had geoordeeld dat de gemeente (ook) onrechtmatig tegen haar had gehandeld en de dochtermaatschappij dus schadevergoeding kon vorderen in de civiele procedure? Zou in dat geval niet de ‘afgeleide schade’ van de holding, maar de ‘directe schade’ van de dochtermaatschappij zijn toegerekend aan de gemeente? Mocht dit zo zijn dan kan een holding, die de macht heeft om haar dochtermaatschappij wel of niet te laten deelnemen aan de bestuursrechtprocedure, in feite beslissen welke schade zij het liefst vergoed ziet: haar eigen of die van haar dochtermaatschappij.

Het is maar de vraag of die uitkomst wenselijk moet worden geacht. Immers, indien schadevergoeding wordt betaald aan de dochtervennootschap dan kan dat inderdaad leiden tot een stijging van de aandelenwaarde en dus een indirecte vergoeding van de schade van de aandeelhouder. Andersom is dit niet het geval; indien de aandeelhouder schadevergoeding ontvangt dan heeft dat niet het gevolg dat de schade van de dochtervennootschap daarmee (indirect) wordt vergoed.

Mijns inziens is het beter om met dit vraagstuk om te gaan door middel van een striktere toepassing van het uitgangspunt dat het is aan de vennootschap (waartegen onrechtmatig is gehandeld of wanprestatie is gepleegd), om de belangen van onder meer haar aandeelhouders te behartigen. Die lijn volgend was het in deze zaak aan de dochtervennootschap om een bestuursrechtelijke procedure te starten, en na vaststelling van onrechtmatig handelen haar schade te verhalen op de gemeente (ook indirect ten behoeve van haar aandeelhouder). Dat de dochtervennootschap dit heeft nagelaten valt haar te verwijten, en zou mijns inziens niet moeten leiden tot een ‘herkansing’ van haar aandeelhouder ten koste van (de rechtszekerheid van) de gemeente als schadeveroorzakende partij.

Meer informatie over het recht op een schadevergoeding? Neem gerust contact op met Rolf Hebbink.

Facebooktwitterlinkedinmail